Jeroen Vullings – In de ruimte


[red.:] De Engelse schrijver Samantha Harvey (50) kreeg in 2024 de prestigieuze Booker Prize toegekend voor haar roman In Orbit. Jeroen Vullings schrijft over de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van deze fascinerende ruimtevaartroman.

Een astronaut kan maar beter niet huilen, want rondzwevend traanvocht is onwenselijk aan boord van een ruimteschip. Tandpasta moet je doorslikken, nog zoiets. Je bijholten zijn daar zodanig verstopt dat het eten geen smaak meer heeft. Zo langdurig in de ruimte verblijven blijkt bovendien schadelijk voor de gezondheid. Het gebrek aan zwaartekracht leidt tot spieratrofie. Voorts wordt je lichamelijke klok door het ontbreken van een aards dag/nachtritme door elkaar gehusseld, raken je zintuigen vertraagd en stijgt het risico op kanker. 

Dit is maar een greep uit de wetenswaardigheden over het alledaagse leven van astronauten die in een internationaal ruimtestation werken uit Samantha Harveys fascinerende roman In orbit. Daaruit blijkt al direct het unieke karakter van haar benadering: In orbit speelt in de ruimte, maar het gaat uiteindelijk via haar astronaut-personages om de mensheid.

Harvey's roman bestrijkt in ons heden een etmaal aan boord van een internationaal ruimtevaartstation, waarin het schip zestienmaal rond de aarde draait - dat levert zestien zonsopgangen en zonondergangen op. We volgen zes astronauten: de Russen Anton en Roman, de Engelse Nell, de Amerikaan Shaun, de Japanse Chie en de Italiaan Pietro. Hun werk bestaat uit het vergaren van meteorologische gegevens en uit wetenschappelijke experimenten.  

In orbit is nadrukkelijk geen science-fiction, maar een realistisch aandoende weergave van het leven aan boord van ruimtereizigers. Van een plot is amper sprake en evenmin ligt het accent op het werk dat de astronauten verrichten. De meeste aandacht gaat uit naar wat ze denken en hoe ze naar de aarde, die stille blauwe planeet, van veraf kijken. De beste typering van deze te savoureren roman, een indringende meditatie die tot denken aanzet, wordt uitgedrukt door dit citaat: ‘Welkom in het spiegellabyrint van het menselijk leven.’  

Dat menselijk bestaan, ver weg op aarde, krijgt de lezer verbeeld via het perspectief van de astronauten. Wat doe ik hier in hemelsnaam, vraagt een van hen zich af, in dit ‘conservenblik in het luchtledige? Een mens in blik. Tien centimeter titanium tussen mij en de dood. Niet alleen de dood, totale vernietiging.’ Waarom zou je zo’n avontuur aangaan? Het is duidelijk dat het heelal niet uit is op menselijke aanwezigheid. Maar de astronauten zijn gekomen ‘uit een verlangen naar meer, meer van alles, meer kennis en bescheidenheid. Snelheid en verstilling. Afstand en nabijheid. (…) En wat ze merken is dat ze klein, nee, niets zijn.’ Verwarrend, zou je zeggen, maar weg willen ze eigenlijk niet meer. Ze zijn door het gebrek aan keuzestress ‘belaagd door geluk’ en hun Nieuwe Wereld is ‘woest, onmenselijk, overweldigend, eenzaam, buitengewoon en schitterend’. Ze lijken het paradijs gevonden te hebben. 

Ook toont Harvey dat de fysieke afstand tot de aarde de astronauten bovenaards, bijna godgelijk inzicht verschaft. Hun leven wordt bepaald door cirkels – die waarin ze draaien en die waarin hun gedachten zweven. Zo bezien is In orbit de roman van de vrij zwevende gedachten. 

Die richten zich vooral op dat wat ze achter zich lieten: de aarde, hun thuis. De aarde is, vanuit dit verreikende perspectief, een planeet gevormd en ingericht door de menselijke begeerte. Kan de mensheid niet stoppen met de aarde, waaruit het menselijk leven ontspruit, te vernielen? Het moment is ernaar om de aarde te beschermen, meent de sombere Rus Anton, want de mensheid bevindt zich ‘aan het eind van het alles-mag-kapot-puberstadium van zelfbeschadiging en nihilisme’. 

Dat maakt In orbit een roman die de essentie van onze tijd vangt. Niet zozeer vanwege de zorg voor de aarde die uit het verhaal spreekt, maar eerder als illustratie van de periode waarin we leven: die waarin we het voor het eerst in de geschiedenis moeten stellen zonder collectieve droom over wat de toekomst in het verschiet heeft voor de mensheid. Het behoud van wat we hebben, van de aarde, is het enige wensbeeld nu. 

Voor zulke ecologische waarschuwingen hoef je tegenwoordig niet naar de ruimte te gaan, een bezoekje aan een bezette snelweg volstaat. Intrigerender is wat Harvey met haar mini-mensheid in de ruimte doet: ze toont hoe de mensen zich daar eerst gaandeweg (moeten) onthechten van het aardse gewoel, om daarna een nieuwe levensvorm te bereiken: de groep wordt één organisme. ‘Wij zijn één. Voor dit moment zijn we één. Alles wat we hierboven hebben is wat we met elkaar delen en hergebruiken. We kunnen niet gescheiden worden, zo simpel is het. We willen het niet omdat het niet kan. We drinken elkaars gerecyclede urine. We ademen elkaars gerecyclede lucht.’ 

Literair is die wording van het zestal tot één organisme in ieder geval een goede zet; zo versterkt Harvey de zeggingskracht van haar roman, waarin alle mensen kinderen zijn van Moeder Aarde, de spil van deze roman – misschien zelfs de hoofdpersoon.     

Eerst liet Harvey, met de vergelijking dat door de ruimte zweven zoiets is als ‘nog niet geboren zijn’, de gedachten uitgaan naar leven in de baarmoeder, als beeld voor die astronauten. Wat haar ruimtereizigers het meest missen is het snoep uit hun kindertijd. Wanneer ze vanuit de glazen koepel omlaag kijken, voelen ze de relatie tussen de aarde en een moeder - dat geeft hun het gevoel kind te zijn. 
Als de astronauten uiteindelijk gaan slapen, tegen het slot van deze prachtig geschreven roman, dromen ze van hun kindertijd op aarde. Van een leven dat nog geleefd moest worden. 

Hun ouder, Moeder Aarde ver weg in het heelal, waakt onderwijl over ze. 



Loading