Van het concert des levens krijgt niemand een program. Maar liefst vijfmaal wordt deze tegelwijsheid aangehaald in Céline, de nieuwe roman van Pieter Waterdrinker. Niet zomaar.
In het ouderlijk huis te Terneuzen van de hoofdpersoon Anatoli ‘Tolja’ Chitrov (42) hing het door de vorige bewoners achtergelaten Delfts blauwe tegeltje met deze volkswijsheid boven het fornuis. Tolja’s krankjorume lotgevallen illustreren de waarheid van die woorden.
Als eerzame literaire vertaler van Russische meesterwerken wordt hij door zijn Nederlandse uitgever aan de kant gezet; zelfs de Russische dissidenten uit het Sovjettijdperk gelden vanwege de Russische agressie tegen Oekraïne als fout. Tolja laat zich uit geldzucht door duistere types verleiden naar Moskou te gaan, alwaar hij nota bene door zijn Russische neef in de oorlog geluisd wordt. Na een half jaar verschrikking weet hij gewond van de Krim te ontsnappen. Zijn vriendin Zita blijkt inmiddels door zelfdoding overleden. Getraumatiseerd en beroofd van illusies belandt Tolja uiteindelijk in Parijs.
Hij zegt over deze Werdegang dat hij in de put van Vrouw Holle tuimelde, vrij naar het sprookje van de gebroeders Grimm. De onderwereld waarin hij terechtkwam was de zich nog steeds voortslepende oorlog tussen Rusland en Oekraïne.
Toch is Céline geen oorlogsroman, al herinnert Tolja zich extreem bloedige taferelen uit ‘het lunapark van de dood’. Het is eerder een plotgedreven, sterk verhalende avonturen- en liefdesroman (Tolja beleeft maar liefst twee liefdes) met een hoog cloak and dagger-gehalte. Tolja wordt via spionnen bespeeld door hooggeplaatsten met duistere financieel-economische belangen. Maar ook dat mysterieuze spel wordt teniet gedaan door de soevereine loop van het leven zelf.
Je kunt de raamvertelling Céline ook een Parijse roman noemen: in het heden van 2023 bevindt Tolja zich in Parijs, waar hij zijn gehele voorgeschiedenis oprakelt, inclusief de levens van zijn ouders, zijn jeugd en de oorlog. Céline is genretechisch veel tegelijk, maar op het hoogste niveau vooral een Europese roman, die de tijdgeest subliem vangt. Het verhaal raakt aan wat er nu in Europa omgaat, zowel op het slagveld in Oekraïne als in de nabije hoofdstad Parijs waar de gedachte aan directe betrokkenheid bij een oorlog niet leeft. Dat blijkt zelfbedrog: het geweld is er al, ook in Parijs. Tolja maakt daar een schietpartij mee en ook de herinnering aan de zes islamistische aanslagen op 13 november 2015 blijkt levendig.
Waterdrinkers literaire niche bevindt zich daar waar het geopolitieke commentaar in de media niet bij kan. Céline is eenduidig over de grote lijn: agressor Rusland is verwaten en verdediger Oekraïne is desperaat. Maar het échte verhaal gaat over mensen en heeft meer tinten dan alleen zwart en wit. Dat kan het best in een roman verbeeld worden. Ten teken dat zo’n verhaal zowel onbegrensd als grenzeloos is voert Waterdrinker zijn hoofdpersoon Tolja kriskras door Europa, of dat nu Moskou, Kiev, Istanboel, Parijs, Amsterdam, Leiden, Haarlem of Terneuzen is. Tolja’s moeder is Zeeuws en zijn vader is een Joodse kernfysicus uit Sovjet-Rusland. Tolja’s herkomst toont al hoe verweven mensen onderling zijn en hoe gemakzuchtig het is alle Russen te veroordelen en alle Oekraïners te bewieroken.
De morele grijstekening regeert in Céline. Onder de Russische frontsoldaten heb je zowel smeerlappen als jongens die de oorlog verafschuwen. De elites vechten niet zelf, zegt Waterdrinkers diepverontwaardigde roman, dat laten ze over aan de arme sloebers. Bij de welvarende, mannelijke Moskovieten ‘stond de immuniteit op hun gezicht geschreven’. Evenzeer hekelt Waterdrinker, via Céline, het opportunisme bij een Nederlandse solidariteitsbijeenkomst voor Oekraïne waar profiteurs die zakelijk rijk geworden zijn in Rusland, nu opeens met een opgeheven wijsvingertje zwaaien. Tolja zelf is evenmin een moreel baken. Hij werkte in het verleden onproblematisch uit geldbejag als gigolo en is bijzonder verslavingsgevoelig, of het nu voor gokken is of een opiaat.
Het is goed mogelijk Céline alleen als spannend verhaal te genieten, in een vervoerende, barokke stijl gegoten. Maar tegelijk schreeuwt de rijkelijk aanwezige symboliek almaar om duiding. De titel staat voor de naam van het dove en blinde katertje dat Tolja meenam van het slagveld. Poesliefs actieve zintuig is zijn gevoel, zijn ontwikkelde empathisch vermogen – precies dat wat Waterdrinker bij de lezer wil aanspreken. Tolja heeft de kater vernoemd naar de grote Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline, die in zijn proza twee wereldoorlogen boekstaafde. In de eerste beleefde hij soortgelijke verschrikkingen als Tolja, in de tweede doorkruiste hij (als Tolja) Europa, op de vlucht en ontheemd. Ook Céline stond (als collaborateur in de Tweede Wereldoorlog) aan de foute kant van de geschiedenis – zoals Tolja die aan de kant van de Russen vocht nu. En ook hij vluchtte met zijn kat, Bébert geheten. Geen gering eerbetoon van Waterdrinker voor Céline.
Céline verbleef jaren in Denemarken, uit angst om terug te keren naar bevrijd Frankrijk. Waterdrinker is ook een banneling, al bevindt hij zich aan de goede kant van de geschiedenis. Door de oorlog moest hij zijn huis in Petersburg verlaten. In zijn plastische evocatie van oorlogsgruwelen en zijn oog voor het menselijk tekort, is zijn roman sterk célinesk.
Maar ook eert Waterdrinker in zijn roman verstolen een grote Nederlandse schrijver (en eerdere Céline-bewonderaar), die dol was op katten, die uit onvrede over Nederland naar Parijs uitweek en daar jaren woonde: W.F. Hermans. Zelfs gebruikt Waterdrinker in Céline als vertelmateriaalHermans’ Parijse adres aan de Rue Théodule Ribot en beschrijft hij zelfs in geuren en kleuren de binnenkant van diens appartement. Voor de goede verstaander is die scène in Waterdrinker hermansiaanse roman een liefdevolle hommage aan zijn Nederlandse voorganger, die zich eveneens omringd wist door gevaarlijke gekken. Chapeau, zegt Waterdrinker daarmee tegen Hermans. Zoals de lezer zijn hoofddeksel dankbaar afneemt voor Céline.
![]()