C.L. Caspers – Romeins dagboek


[red.]: het onderstaande verhaal – een reeks fictieve dagboek-aantekeningen van de Zwitserse schilder Angelica Kauffmann (1741-1807) over de totstandkoming van haar portret van de oudheidkundige J.J. Winckelmann (1717-1768) in het jaar 1763 – verscheen oorspronkelijk, met fraaie illustraties van Ellen Hooghoudt, in het tijdschrift Roma Aeterna 5.1 (2017). Het verhaal is opgedragen aan Maike Smelt.

21 juni

‘Niet weggaan,’ zei Winckelmann toen ‘k me van hem afkeerde om ‘k weet niet wat, ’n zachter potlood uit m’n spullentas te pakken. Zo’n mooie man. Ik schilder hem blootshoofds, net als Mengs, maar niet met die hongerige kinderverkrachtersblik die Mengs hem in z’n ogen gaf. Zachte ogen. Kwetsbaar, wist ik meteen zodra ‘k hem zag, in het Capo‹dimonte› waar ik Danaë aan ’t natekenen was en Füßli, die toen bij hem was, hem met een ouderwetse hoffelijkheid aan me voorstelde. ‘M. Winckelmann. Mlle Kauffmann’.

‘Niet weggaan’… Ariadne, Ariadne en het strand van Naxos. Ariadne tot over haar heupen, tot over haar navel in het ochtendkille zeewater. Haar doorweekte pyjama in drijverige slierten om haar middel op de zacht klotsende deining. Het zachte zuigen aan haar nog slaperige onderlijf van de ochtend-eb, die in de verte Theseus’ schip steeds verder naar de einder trekt. Theseus’ schip met bloezende witte zeilen. Ariadne’s pyjama als een blauwe olievlek op ’t grauwe wateroppervlak. Waar laat ze haar armen? Handen in ’t haar, misschien, het haar nog in ’n slordige slaapknot: ze trekt wat aan het lint dat het van boven achter bij elkaar houdt. Of beter: haar los, de onderarmen tot halverwege de elleboog in ’t water; schouders en borsten hangen af. ’n Penitente Magdalena ter zee.

Tijdens ’t zitten vertelde Winckelmann over Albani, over hoe gelukkig hij was, hoe gelukkig hij was geweest met de mannen die zich hier, in Rome, over hem ontfermd hadden. ‘k Luisterde beter naar wat hij zei dan ‘k doorgaans doe wanneer ze praten tijdens ’t zitten, niet om wat hij zei maar om z’n intelligente, beheerste zinnen. Daarom, misschien, omdat ik harder luisterde (en slechter tekende) dan anders en hij dat voelde, dat hij toen ‘k me even van hem afkeerde schijnbaar zonder het te willen ‘Niet weggaan’ zei. ‘k Deed maar of ‘k ’t niet of half gehoord had, zette ’n nieuw schetsblad op en vroeg hem iets als: ‘Kunt u zwemmen, M. Winckelmann?’, waar hij ernstig op in ging. Jongetjes in, wat was ’t, Steindahl (?) Stendhal. Na school op de fiets naar de Elbe, een bocht in de Elbe, bij ’n klooster (Jericho?). Kleren op ’n hoopje op de oever en hoe koud ’t water was, soms, geen gevoel in je tenen, je knieën. Alsof je uit elkaar viel (ja). Jongens. Eén was de grootste, de vorst van de Elbe…

22 juni

Late start, want gisternacht tot 2:30 in Test‹accio› met L‹ucia›. Rode laarzen, haar als Cardinale in Once upon a Time ‹in the West›. Stil, ondanks de luide muziek. Aan de bar in ‹On The› Rox zat een grote kreukelige Rus die we er niet eerder zagen, ’n grote kreukelige Rus met wier op zijn gezicht en kleine waterige oogjes achter glas, een ruitjeshemd en cowboylaarzen. ‘Two years ago I come here walking from Kiev. And staid.’ En later buiten, in het halflicht voor ‹Club› Muzak, met een shag tussen de vingers van zijn grote linkerhand, ’n klein zwart opschrijfboekje, stompje potlood in z’n rechter: ‘Now tell, Gelya, what is your concern?’ Een aanval tegenaanval, alsof ik ‘m eerder, toen ‘k aanhoorde over de luide AC/DC-cover heen hoe hij niet langer slechts had willen schrijven voor een handvol half gemankeerde vakbroeders, zei hij, alsof ik hem toen iets verweten had. In de taxi terug viel L‹ucia› in slaap, hoofd op m’n schouder.

Gistermiddag naar de Villa ‹Albani› voor ’n tweede zit met Winckelmann, voor ’t licht. ‘k Ging lopen, ditmaal, spullentas over m’n schouder. Wat is ’t, vanaf de Trinità ‹dei Monti›? ’n Kilometer? Minder? ‘k Nam nu de ingang aan de V‹ia› Salaria. Eergister met de taxi passeerden we die, sloegen ’n tweehonderd meter ervoorbij rechtsaf en kwamen aan de achterkant van ’t Casino uit. W. wachtte me op in het vestibulum, leidde me de brede trappen op, langs de mooie reliëfs, ‘k zag ze maar nauwelijks, nerveus, rechtstreeks naar zijn studiolo. De ingang aan de V‹ia› Sal‹aria› heeft ’n groot hek, het stond open, er was niemand, ‘k liep naar binnen, op de obelisk af, voorbij de obelisk, trof W. waar de eigenlijke tuin begint, hartelijk, vrolijk, ’n beetje springerig, hij wilde me voor het zitten eerst wat van de Villa laten zien.

We liepen langs wat W. het Kaffeehaus noemt, onlangs pas voltooid en honderd meter verderop wordt er alweer gebouwd: niets is zo erg, zegt W., als het stof en de lucht van een bouwplaats. Wat de bouwkunde betreft, zegt W., is Albani een cartesiaan: hij verdraagt geen lege ruimte. En: als ’t hier klaar is, ziet het er zo uit als in de oudheid op het Capitool.

Onderweg naar ’t Casino waren we en er druppelden plots twee kwartels onder ’t loof vandaan, zagen ons, maakten in paniek rechtsomkeert het loof weer in, struikelden inderhaast maar net niet over elkaar. W. giechelde als ’n Zw‹itsers› schoolmeisje.

‘Kijk omhoog’, zegt Winckelmann, als we (binnen) de galleria betreden: Mengs’ belachelijke Parnassus, een soort… vlag … aan ’t plafond. Mm. Dat is gemeen van me, om te zeggen. In ’t bel‹endende› vertrek, boven ’n kleine open haard, ’n reliëf: Antinous, zegt W., ’n mooie jongen met ’n zware brauw en dikke natte krullen, iets meer dan levensgroot, wat loof in z’n linkerhand. z’n Rechterborst en -schouder steken naar buiten, z’n hemdje uit, ’t reliëf uit: tamelijk adembenemend. ‘Kijk,’ zegt W., ‘net als bij de Apollo in het Belv‹edere›, dat zachte golven van de musculatuur: haast onzichtbaar, als was het geblazen glas…’ Ik probeer te kijken zoals hij wil dat ‘k kijk en denk tegelijkertijd aan kard‹inaal› Alb‹ani›, halfblind, tweeënzeventig, op de tast in deze kamers vol schoonh‹eid› en dan neemt W., alsof hij me las – m’n gedachte las – m’n rechterhand en laat me, ‘Ogen dicht…’, ’t marmer van Antinous’ schouder voelen.

Moeilijk moment. Adem in. ’t Gaat voorbij.  

In W.’s studiolo staan twee karaffen, water en wijn. Ik kies water. ἄριστον μὲν ὕδωρ,{1} (zegt W.). ’n Slechte pick-up line, maar vooruit: ook een herstel, immers – een tegemoettreden, want sinds ’t betasten van Antinous is er niets gezegd.

En dan, terwijl ik de vol‹umes› op ’t papier zet en aan ’t licht begin, zegt W.: ‘Ruggieri. Toen die zich doodschoot…’: ’t vervolg op wat hij onderbroken had toen ik me eergister van hem afkeerde, ‘Niet weggaan’, om m’n gum te pakken.

Wat voelde ik me. Vergeven? Vereerd? Aangerand?  ‘k Luisterde niet meer zoals eerder (en tekende beter) totdat hij Mengs noemde: diens vertrek naar Sp‹anje›, na 6 jaar diepe vriendschap. Het bezoek van mevrouw Mengs, een paar weken geleden: de tijd die ze samen, W. en Margherita M‹engs›, op Alb‹ani’›s villa in Castelg‹andolfo› doorbrachten. Iets vreemds, iets verstikts in zijn stem, als hij dit vertelt. 

23 juni

300 m. crawl + 300 m. school‹slag› in ’t korte bad. Goggles al na drie b‹anen› beslagen. Links weer helemaal soepel, maar ’t ging toch niet lekker: steeds net te vroeg of net te laat op de keerpunten. Boos? Of: gespannen?

24 juni

Vroeg op, goed gewerkt (gister ook). Vanmiddag kwam L‹ucia› om me voor te lezen uit haar nieuwe hoofdstuk: ’t boek, de dissertatie is eindelijk bijna af. Ik tekende haar, zoals ik haar al zo vaak getekend heb terwijl ze voorleest en luister naar de woorden, nieuwe woorden voor wat ik ’t afgel‹open› jaar al zo vaak, in de een of andere vorm, beluisterd of gelezen heb.

‘Scenario 1: mijn linkerhand ligt op tafel. Mijn linkerhand voelt de tafel. Nu leg ik mijn rechter op mijn linkerhand. Mijn rechter voelt mijn linkerhand, die de tafel voelt; mijn rechter voelt mijn linkerhand de tafel voelen: er sluit iets kort. Scenario 2: mijn linkerhand ligt op tafel, voelt de tafel, ik kijk, ik zie mijn linkerhand de tafel voelen. Is dat dezelfde kortsluiting? Ja, zegt Merleau-Ponty. En in die kortsluiting ben ik ‘ik’: niet als Cartesiaans subject, maar als tegelijkertijd voelend én gevoeld lichaam. Maar nu, scenario 3, nu raakt mijn hand de jouwe – ik voel jou mijn hand voelen. Is dat ook dezelfde kortsluiting? Ja, zegt M‹erleau-›P‹onty›. De kortsluiting die optreedt in mijn lijf, als mijn rechterhand mijn linker de tafel voelt voelen – of als ‘k mijn hand de tafel voelen zie – is dezelfde als de kortsl‹uiting› die optreedt wanneer mijn hand jouw hand mijn hand voelt voelen; of als ‘k jou mij zie zien.’

Waarin die kortsluiting dan optreedt, vroeg ik, wanneer ‘k jou mij zie zien. In wat Merleau-Ponty het stof noemt, zegt L‹ucia›. Het stof? Nou ja, M‹erleau-Ponty› zegt chair, maar dat vindt L‹ucia› ’n vies woord. En verwarrend, want dat chair is niet het chair van ’t lichaam maar iets elementairs, zegt L‹ucia›: stof. (Dus: geen lege ruimte…?) En: kortsluiting? vroeg ik. Omdat het wel tegelijk gebeurt maar je ’t niet tegelijk beleeft, ’t is doorgaans ’t een of ’t ander, AC/DC, en anders: pchchchwww!

Als met jouw naam, zegt L‹ucia›. O? zeg ik. Angelika || Kauffmann, zegt ze nadrukkelijk, dat raakt elkaar niet, maar je bent ’t wel. Komt dat in je boek? vroeg ik. Misschien, zegt L‹ucia›.

‘Het wereldbeeld van M‹erleau-›P‹onty›, dat is een incestueus wereldbeeld, zegt Irigaray,’ zegt L‹ucia›: ‘incestueus en labyrinthisch.’

Labyrinthisch? vraag ik. ‘Gesloten’, zegt L., en reikt naar mijn tekenende hand. ‘Kijk, ik raak je aan: pchchchwww? … That’s it? Verder niks?’

’t Is maar goed dat we elkaar zo goed begrijpen. Haar hoofd op m’n schouder in de taxi. Hoe teken je trouwens een labyrint? Niet van boven, bedoel ik: dat is makkelijk. Maar van voor? Een blinde muur, denk ik. Een blinde muur met een scheur erin.

Nee – dat stof, zegt Irigaray, dat heeft twee polen: mannelijk en vrouwelijk. Mannelijk: wat zich hullen laat. Vrouwelijk: wat hult. ‘Irigaray keert Freud binnenstebuiten’, zegt L‹ucia›, ‘want niet, zoals bij Freud: wat penetreert, wat zich penetreren laat. In den beginne, zegt Irigaray, in utero is er het hullen, het m in het v: daarna enkel nog het voelen; en het voelen voelen. Voelen is wat je doet, vanzelf, maar voelen voelen moet je leren. En daar zit dan, anders dan bij M‹erleau-Ponty›, ruimte voor een ethica.’

L‹ucia› ’s bezwaar tegen Irigaray: dat ‘mannelijk’ vs’vrouwelijk’. Wat we nodig hebben, zegt L‹ucia›, is een psychobiologie zonder m/v.

26 juni

300 m. crawl + 300 m. sch‹oolslag› in ’t korte bad, ‘k schrok ervan hoeveel ik zag onder water met m’n nieuwe goggles: de harde tegeltjes van de bodem; andere zwemmers twee banen verderop; en bij het verre eind van ’t bad, waar de bodem het diepst is, op de bodem een dunne rode lijn, kronkelig – ’n draadje of ’n touwtje, op de bodem blijven liggen van een zwemles of zo, ’t leidde me af, ‘k miste weer vrijwel al m’n keerpunten.

28 juni

Vanochtend vroeg ’n onaangekondigd bezoek van Winckelmann: ‘k moest ’t hem maar vergeven, zei hij, hij was op weg naar de V‹illa› Medici maar wilde graag zien hoe ’t portret vorderde, en hij had ’n verrassing. ‘k Stuurde Martha om koffie bij ’t Caffè Greco in de V‹ia› Condotti en ging hem voor, ’t portret stond op de grote ezel bij het raam, op de kleine hingen nog m’n twee Ariadnetekeningen van vorige week geprikt, Ariadne op het strand van Naxos: W. plots verlegen, mijdt het portret en kijkt lang naar de Ariadnes. ‘Naar Catullus‘, zegt hij, ik kan niet horen of ’t een constatering of ’n vraag is en knik dus maar wat, plots ook verlegen. Hij weet ze uit het hoofd, die sexy hexameters die ik na moest zoeken in de Catulli carmina waaruit ‘k ze ooit met Moritz las: non flavo retinens subtilem vertice mitram, non contecta levi velatum pectus amictu, non tereti strophio… (daar haperde hij even en zei wat anders dan er in m’n boek staat:) luctentes vincta papillas{2} Gelukkig komt net dan M‹artha› binnen met de koffie op ’n zilveren dienblad, ik neem het van haar aan en zet het op het werkblad onder ’t raam: Winckelmann veegt met de mouw van zijn jas – M‹artha› had die van hem af willen nemen toen we in de hal stonden, maar hij hield hem liever aan, was wat kouwelijk zei hij – wat rommel aan de kant om plaats te maken.

We drinken de koffie staande, in ’t stoffige P‹iazza› di Sp‹agna›-zonlicht dat door ’t raam naar binnen vallen komt, en W. vertelt over de fresco’s uit Herc‹ulaneum›, hoe teleurstellend hun kwaliteit is: ‘Een volwassen Theseus; maar nee, toch, Theseus was ’n jóngen, nog, geen volwassen man: toen hij aankwam in Athene hield men hem aanvankelijk voor ’n meisje… En kijk wat er gebeurt: Poussin, Poussin geeft hem een… baard…!’. Tranen in zijn mooie ogen. Pas dan ’t portret: ik zie het mee met zijn blik, voor wat ’t is, schrijftafel en folio’s af, figuur opgezet, gezicht geschetst, de scherpe hoek tussen de neus- en de kaaklijn, niks om me voor te schamen. De verrassing: ’n uitnodiging van de pr‹ins› van Venosa om z’n Villa te bezichtigen, overmorgen.

Vanavond uit drinken in S‹an› L‹orenzo› met L‹ucia›, om het inleveren van haar Merl‹eau›-Ponty/Irigaray-hoofdst‹uk› te vieren. Stel je voor: Winckel‹mann› mee vragen (!).

29 juni

Aan de buitentafeltjes bij de Tav‹erna› aan ’t L‹argo dei› Os‹ci›, gisteravond. M’n rode laarzen weer, m’n haar als Loren in ‹Una› Giornata ‹Particolare›; eerst roodwijn (‘Op Merlot-P‹onty›’) daarna grappa. L‹ucia› zegt: ‘Wat ’n mafkees,’ toen ik haar vertelde hoe emotioneel Winckelmann was geworden, op het incontinente af, bij ’t beschrijven van ’n viertal frescootjes dat men, zei hij, hier onlangs in de buurt van Rome had gevonden, heel anders blijkbaar dan die uit Herc‹ulaneum›: ’n Jup‹iter› & Ganymedes (‘Jupiter reikt naar hem, zijn wijnschenkertje, hij is geen dag ouder dan zestien en, ach Mlle Kauf‹fmann›, zijn lijfje is niks dan de vleesgeworden wellust, de well‹ust› om gekust te worden…’); een Apollo & Hyac‹inthus› en nog twee, waarvan hij alleen de natekeningen zag: la cosa vera, zei hij.

30 juni

W. trof me bij de ingang  aan de V‹ia› Pinciana, vertelde me meteen maar hoe moeilijk ’t was om in de V‹illa› te geraken (wist ik al; grote ogen van de anders zo sceptische L‹ucia›, eergisteravond: ‘de Villa Ludóvisi?!’); dat hij meermaals in de tuin en de galleria in ’t pal‹azzo› maar slechts éénmaal, vorig jaar pas, in het gabinetto had gemogen; en over hoe hij in de tuin op het voetstuk van ’n grote Theseus geklauterd was om ’t hoofd op te kunnen meten en bij het afstappen dat hoofd er af viel, kapot, op de grond, niemand zag ’t maar zijn gêne, zijn angst of iemand het terwijl de rest van zijn bezoek duurde niet ontdekken zou… en hij de custode uiteindelijk maar ’n flink bedrag aan zwijggeld had toegestopt. Vandaar dus de knipoog van de custode (dezelfde?) toen we binnen werden gelaten: ik had iets seksueels vermoed, oude(re) man met jonge vrouw en de hele tuin voor zich… De tuin heel anders dan die van de V‹illa› Alb‹ani›: ruiger, slechter onderhouden – tweehonderd jaar ouder, ook, ondanks, zegt W., een onlangse make-over door ’n Franse struikenknipper. Beelden staan sin ton ni son en niemand komt hier, W. vertelt: de grote Junokop nabij de ingang, dat die iedereen ontgaan was en in geen reisbeschr‹ijving› stond vermeld, totdat hij (W.) vorig jaar met mijn landgenoot Füßli… hij praat, ik luister maar half. Recht boven het pad, heel hoog, roeiden twee haviken, W. merkte dat ik omhoog keek en viel stil.

Zo (stil) het palazzo in, via de loggia – waar isiedereen? Slechts de custode die ons naar binnen knikt (W. ontwijkt zijn blik) – achter Winckelmann aan naar een eerste zaaltje met twee naakte mannenfiguren, een faun en een Mars. W. aarzelt, zal hij er iets over zeggen, maar bedenkt zich en steekt door naar een grotere zaal. Daar – de wanden hangen vol moderne schilderijen: niet de stijlvolle fresco’s en het strakke marmer van de Villa van Alb‹ani› – in het midden staat Bernini’s Pluto & Pros‹erpina›, W. kijkt ervan weg, alsof ’t hem pijn doet, ik draal er bij; Pluto’s sterke vingers die in P‹roserpina’›s zachte bovenbeenvlees zinken, ’t is precies zo magisch als ‘k er over in m’n Bl‹ue› Guide las – tot hij me wenkt naar ’n beeldengroep, een blote man die zich ’n kort zwaard achter ’t sleutelbeen naar binnen steekt, het hoofd naar rechts gewend, met aan zijn linkerarm het lijf van ’n vrouw, slap en zwaar als een natte slaapzak. W. kijkt vragend maar ik heb geen zin in ’t vraag-en-antwoordspel, ontwijk zijn blik, hij zegt: ‘Canache’, maar op de voet van het beeld, in nette blokletters: ‘Arria & Paetus’.

OK, vertel maar dan. Primo: Romeinen beeldden geen Romeinen uit. Tweede p‹unt›: Romeinen zijn niet naakt. D‹erde punt›: (vergeten). Alternatieven: Menophilus, de trouwe eunuch van koning Mithr‹idates› die ’s konings zieke dochter Deretia (?) en dan zichzelf doodt, om maar niet des vijands slaaf te worden (zegt Maffei).

Betekenisvolle stilte.

W.: ‘Een eu-nuch?’, en blikt naar ’t bescheiden maar onmisk‹enbaar› intacte klok-en-hamerspel van de man met ’t zwaard.

‘Mensen kijken niet, Mlle Kauffm‹ann›.’ Dus, wat dan wel: de zelfmoord van Canache, wier vader…? Ja, ik ken Ov‹idius›’ heldinnenbr‹ief›, las ‘m lang gel‹eden› met lieve Moritz in papa’s P. Ovidii Nasonis opera; en nee, ik had die mooie regels over haar incest met haar broertjelief, met Macareus, nu niet paraat (W. wel: cur umquam plus me frater quam frater amasti, et tibi non debet quod soror esse fui?){3}, maar ik weet nog al te goed hoe ‘k ze met rode oortjes las, lang geleden, met lieve Moritz. Vader ontdekt de incest, ontsteekt in woede, laat Canache ’n zwaard bezorgen… de gedwongen zelfmoord van de geliefde zuster… dus: dat dode meisje… en de staande man die zich het zwaard achter ’t sleutelbeen steekt… is…?

Nee! Fout! Niet Macareus! Kijken, Mlle Kauffm‹ann›! Kijken! Die snor! Daar, onder de neus van de zwaardman! Een Griekse jongeling, een Griekse edelman met een… snor?? Een Macareus met… háár op zijn lip? (De huiver in zijn stem; maar ik denk aan het blonde haar op Moritz’ bovenlip, lang geleden, en op zijn kin, aan hoe hartverscheurend blond dat was.) Nee! Het is de boodschapper, de brenger van het zwaard! Die Canache nietsvermoedend het zwaard bracht! Het zwaard waarmee zij zich daarna doorstak! Hij wist het niet, de boodschapper, ontdekt het achteraf en kan niet leven met de wetenschap dat… enz. enz., ‘k was ’n beetje van m’n stuk, van W.’s plotselinge passie en van de onverwachte, onverwacht scherpe herinnering aan lieve Moritz (in dit verband: broer/zus, incest!) en van dat stille, overvolle Pal‹azzo› waar niemand kwam, het was… ‘intens’, zou L‹ucia› zeggen, haha. 

Winckelmann brak de spanning met ’n verlegen giecheltje en wendde zich naar de derde beeldengroep in de zaal: een kleine jongen en een grotere vrouw, beiden gekleed, een wat afstandelijke omhelzing. Papirius en zijn moeder, stond op de voet. Nee, die ken ik niet. ’t Staat bij Aulus G‹ellius›, zegt W.: Pap‹irius› mag voor ’t eerst mee naar de senaat en wordt bij thuiskomst door z’n moeder ondervraagd maar had geheimhouding beloofd, dus vertelt hij mama een leugen, er zou gestemd zijn over of Romeinse mannen meerdere vrouwen trouwen mochten… Dus: de ondervraging van Pap‹irius›. Maar: Rom‹einen› beeldden geen Rom‹einen› uit. En: kijken, Mlle Kauff‹mann›! dit is niet de blik van een jongen die staat te liegen. Du Bos beschrijft het beeld en spreekt van een ‘huichelachtige glimlach’: maar waar is die dan? Welnee. Ph‹aedra› & Hippolytus, dacht ik ooit – Phaedra onthult haar schandalige liefde voor haar stiefzoon – en dat liet ik drukken in de Geschichte. Ook fout. Kijken, M‹lle› K‹auffmann›…. dat korte haar.

En toen.

Hij stak zijn handen uit, naar mijn hoofd, stak ze in mijn haar (los), ter hoogte van m’n oren, sloot zijn vingers, als waren ’t scharen. Ik stond bevroren. Dat korte haar. Hij nam zijn handen terug. Ik keek naar ’t haar van de stenen jongen en de stenen vrouw, wat moest ik anders: ja, korte krullen, als ’n soort stenen pasta. Macaroni. Dat korte haar. Zij sneed het af als blijk van rouw. Hij het zijne als grafgift voor zijn dode vader. Hun dode vader. Agamemnon. Broer en zus. Jongere broer, oudere zus. Zijn lange ballingschap. De herk‹ennings›scène in de Offerpl‹engsters› van Aesch‹ylus›: herkend aan dat haar. ἔχω σε χερσίν, ik houd je in m’n armen. In Or‹estes›’ ogen (kijken, Mlle K‹auffmann›!) de tranen van ontroering; de oogleden gezwollen van het ingehouden huilen. In de hare: liefde en verdriet, vreugde en bezorgdheid.

1 juli

750 m. crawl in ’t lange bad, zonder onderbreken en met alle keerpunten: scherp; efficiënt. Om gister van me af te zwemmen? Onder de douche armen en benen als van steen. Op de terugweg, halverwege de V‹ia Guido› Reni, ’n kleine blauwe auto van rechts, vol op z’n remmen, ‘k had hem niet gezien.

Maar even niet aan ’t portret verder, vandaag. ‘ns Zien: wat dan? Papirius en zijn moeder. Haha. Pap‹irius› klein, dikke blonde krullen, kwetsbare bruine ogen; ’t profiel van Albani’s Antinous-relief, een haast rechte lijn van Stirn zur Nase, maar jeugdiger: ongevormd. Z’n moeder groot: ’n sibylle van Michelangelo, de voorgrondvrouw in de Transf‹iguratie› van Rafael. Groot lijf, klein hoofd. W., in de V‹illa› L‹udovisi› gister: kende ik dat, ’n oud gebruik hier in Italië, ’n maagdelijkheidsproef, je neemt met een lint of touwtje bij een knaap of meisje de omtrek van de keel; verdubbelt de lengte en geeft dan ’t kind één kant van ’t lint tussen de tanden. Als de lus nu gemakkelijk over ’t hoofd glijdt, als het hoofd gemakkelijk door de lus in ’t lint past, dan is het kind nog maagd. Nee, zei ik. Water dragen in een zeef, die kende ik. (Aan een krop sla ruiken en dan niet in je broek plassen, die kende ik ook, maar dat zei ‘k maar niet.) Het staat al bij Catullus, zei W. Hij noemt ’t in de Geschichte ter weerlegging van Plinius’ stelling dat Zeuxis grote hoofden schilderde. Goed: groot lijf, klein hoofd. Haar rechterhand pakt de zijne (ἔχω σε χερσίν); haar linker … reikt naar zijn kin. Dubbelzinnig gebaar: Ph‹aedra› & Hipp‹olytus›; Jup‹iter› & Ganymedes.

4 juli

Mh, ’t zwemmen, als zo lang niet! In Lindau of Konstanz, voor ’t laatst, ’t Bodenseewater zo direct langs m’n oren, in m’n nek, wat was ik, ‘k was elf of twaalf… 500 m. crawl + 500 schoolslag en nog ’n hele baan onder water in ’t korte bad, voor ’t gevoel.

5 juli

’t Portret is klaar. ‘k Gaf Winckelmann gister nog, finishing touch, behalve ’n licht wit overhemd dat open staat aan de hals (dat afstaat van de zachte √ aan de basis van zijn keel) de half-transparante shawl, onderwatergroen – niet onderzwembadwater: onderbuitenwatergroen, onderbodenseewatergroen – met ’n paar witte accentjes en twee dunne rode zoomlijnen, die L‹ucia› op de achterbank van de taxi had laten liggen, na T‹estaccio› vorige week, ‘k weet niet waarom, eigenlijk. Het is wel goed geworden, denk ik.

7 juli

‘Wat we nu nodig hebben is een psychobiologie zonder m/v,’ zei L‹ucia› dapper, aan de buitentafeltjes van de Tav‹erna› S‹an› L‹orenzo› gisteravond. Prof. C‹arandini› tegenover ons poetste z’n brilletje en zette ’t weer op z’n neus. L‹ucia› introduceerde ons eerder, net zo ernstig als Füßli père destijds dat bij mij en Winckelmann had gedaan.: ‘Andrea C‹arandini›, il mio Doktorvater. Angelica è Svizzeressa’.

De jongen naast hem, blauwe ogen, mooie expressieve handen, vroeg aan niemand: ‘Wat bestudeert ’n psychobioloog eigenlijk?’ ‘Vlinders’, antwoordde prof. C. met een onpasselijk makende glimlach. Tranen in L‹ucia›’s ogen, zag ik in ’t licht dat uit de voorgevel van de Taverna kwam. Ik reikte onder tafel naar haar hand.

Veel later, in prof. C‹arandini›’s grote appartement aan de V‹ia› Merulana, waar we na te lang drinken met de hele fenomenologenclub heen gelopen waren (bijna volle maan; de P‹orta› Magg‹iore› zag er nog brokkeliger uit dan anders), vertelde ’n ideeënhistorica uit Pisa, degelijke schoenen en dikke brillenglazen, me over middeleeuwse maagdelijkheidsproeven: dat wat er op het spel stond als men ’n vrouw water halen in ’n zeef of aan een slakrop ruiken liet, niet de mate van haar intactheid was maar haar onverminderd draagvermogen – kon ze nog omhullen? Zo ja, dan slaagde ze, no further questions asked. Winckelmanns lint of touwtje, dacht ik: de omvang van het hoofd; de omtrek van de hals; de omtrek van ’t geboortekanaal… In de taxi terug probeerde ‘k ’t aan L‹ucia› te vertellen maar net als toen viel ze in slaap, haar hoofd op m’n schouder.

8 juli

Füßli en Winckelmann kwamen vanmiddag ’t portret bekijken: volgende week is de presentatie, in de Canc‹eller›ia. Füßli, nog nooit in m’n studio geweest, liep recht op de grote ezel met ’t portret af en zette z’n connoisseursblik op. Winckelmann bleef eerst weer kijken bij de kleine ezel, waar m’n Papiriustekening van vorige week op opgeprikt hangt. Martha kwam binnen met de koffiespullen en zette de boel neer op de werktafel bij het open raam: iemand schreeuwde op ’t P‹iazza› di Sp‹agna›. Ik had me bij Füßli gevoegd maar hoorde nauwelijks wat die allemaal zei, stond expres zo dat ik W. bij de kleine ezel zien kon. Geen waarneembare reactie. Na heel lang kwam hij bij ons staan, bekeek ’t portret. Füßli viel stil. Ik voelde me licht in ’t hoofd.

Adem in: ’t gaat over.

W., tenslotte, de ogen nog op ’t portret: ‘Mlle Kauffmann, Sie sind eine seltene Person‘. Nog even bleef ’t stil, zo fijn stil, toen begon Füßli weer te praten. Als W. me eindelijk aankijkt, kan ‘k z’n blik niet lezen.

10 juli

Gister naar Testaccio met L‹ucia› (‹On the› Rox; Muzak). M’n grijze all-stars, haar als Irene P‹apas› in Cacoyiannis’ Elektra. De Rus was er weer. ‘How’s the paint, Gelya?’. Hij toonde me trots ’n essay over bootvluchtelingen op de Zwarte Zee, in een of ander tijdschrift. ‘And since last we spoke, I had a tattoo made. Do you wish to see it?’. Op ’t zachte stukje tussen z’n rechter pectoralis en de aanhechting van z’n schouder (rare plek?): de hand van God en de hand van Adam, van ’t Sixtijnse Kapelplafond. ‘What would you like for a tat, Gelya?’ Weet ik veel. In ieder geval geen Michelangelo.

Twee kwartels, misschien.

Of nee: twee haviken.

________________

Noten:

{1} ‘Het beste is water’ (Pindarus, Olympische ode 1, r. 1).

{2} ‘Zonder het lint dat haar blonde haar bij elkaar hield, zonder het lichte gewaad dat haar torso omhulde, zonder bh om haar melkvolle borsten te vangen’ (Catullus, Carmen 64, r. 63-65). In de laatste regel verkiest Winckelmann, zoals hij dat ook bij het aanhalen van deze passage in zijn Gechichte doet, de tamme conjectuur luctentes ‘duidelijk zichtbaar’ voor het gewaagde lactentes ‘melkvol’ uit de handschriftoverlevering.

{3} ‘Waarom beminde jij, mijn broer, me meer dan als broer en was ik voor jou wat een zus niet zou moeten zijn?’ (Ovidius, Epistulae Heroidum 11, r. 25-26).

________________

Naschrift (september 2025):

‘Romeins dagboek’ is (net als ‘Dood tij’) een oefening in anachronisme. De tekst bevat onder meer citaten uit de brieven van Kauffmann en Winckelmann, uit Winckelmanns Geschichte der Kunst des Althertums (1764), Carl Justi’s Winckelmann und seine Zeitgenossen (1866), Le visible et l’invisible (1964) van Maurice Merleau-Ponty en uit Éthique de la différence sexuelle (1984) van Luce Irigaray. Kunstwerken genoemd in de tekst zijn onder meer: Angelica Kauffmann, ‘Portret van J.J. Winckelmann’ (Zürich: Kunsthalle), ‘Ariadne op Naxos’ (Dresden: Gemäldegalerie) en ‘Papirius praetextatus’ (Denver: Berger collection); de ‘Stervende Galliër’ en ‘Elektra en Orestes’ (Rome: Palazzo Altemps); het Antinous-reliëf uit de Villa Albani (Rome); Anton Raphael Mengs, ‘Parnassus’ (Rome: Villa Albani) en ‘Zeus en Ganymedes’ (Rome: Galleria Barberini); Gian Lorenzo Bernini, ‘De roof van Proserpina’ (Rome: Galleria Borghese).

Loading