Hugo van Nijkerk – De belofte van een nieuw begin


Ik was deze keer deze echt de grens over gegaan. Die verdomd inspirerende toespraak van de zoon van de Hoge Keizer zelf was genoeg om al mijn twijfels de mond te snoeren. Voor een paar minuten.

Nu het er echt op aan kwam, wist ik het helemaal niet meer zo zeker als toen ik instemde met dit godvergeten plan. De Hoge Keizer zelf, Keizer Jimmu, vermoorden, hoe kom je erop. Maar het domste van dit hele idee was dat ik medeplichtig zou zijn.

We zouden hem vergiftigen, door hem Fugu-Kimo voor te schotelen. Dit gerecht moest perfect worden gemaakt en alleen de beste koks mochten het bereiden.  De persoonlijke kok van de keizer lag al dood onder de grond, die hadden we al afgehandeld. Het was nu alleen nog zaak om de Hoge Keizer het gerecht als avondeten te geven. Het was een simpel plan, en toch was ik niet zeker.

Wat als hij het doorhad, wat als hij al wist dat zijn persoonlijke kok dood was? Wat als hij het gerecht als giftig herkende, of erger, als hij het complot tegen hem doorzag? We hadden ons eigen doodsvonnis getekend. Dit zouden mijn laatste dagen zijn. 

Toch. Het moest lukken. We hadden te lang onder de tirannie van de Hoge Keizer geleefd. Het rijk is stervende onder zijn ijzeren hand, en het zou langzaam zijn gestorven als hij nog langer op de troon bleef. Vandaag was de laatste dag. Hij zou vervangen worden door zijn zoon, Prins Yoake Oda, en die zou het rijk weer een tijd van voorspoed brengen. Zegt hij.

De dood van de keizer zou in de doofpot worden gestopt, het zou de schuld van de persoonlijke kok zijn geweest en die zou al zijn geëxecuteerd. Geen losse eindjes, wij zouden de enigen zijn die van het verraad af wisten. De perfecte moord.

Om mijzelf af te leiden van deze twijfels keek ik om me heen naar de mannen die naast me op hun knieën zaten te wachten. We zaten allemaal in de pijnlijke Seiza houding, waar we ons volledige gewicht op onze hielen lieten leunen. Voor de komst van Keizer Jimmu, zaten we allemaal gewoon met onze benen gekruist op de grond. Maar hij vond de dreiging van een stel Samurai, die op elk moment konden aanvallen te veel. Hij koos ervoor om de zithouding die het bloed uit je benen trekt, om te vermijden dat je kan aanvallen, de culturele standaard te maken in Het Hoge Rijk. We waren er allemaal langzaam gewend aan geraakt, en het was één van de vele geniepige tactieken die de Hoge Keizer gebruikte om ons in bedwang te houden.

De mannen zagen er stuk voor stuk vervaarlijk uit, klaar om toe te slaan en het leven van de Hoge Leider van Het Hoge Rijk weg te nemen in minder dan een seconde. Ze waren elk ook sterker en zelfverzekerder dan ik was. Hun gezichtsuitdrukking was stoïcijns, zoals een goed Samurai betaamt, maar aan de strakgespannen spieren van hen was te zien dat zelfs zij nerveus waren voor deze ingrijpende manoeuvre. Ik was normaal al kleiner dan gemiddeld, maar nu voelde ik me nog kleiner, bijna net zo klein als een kleine eekhoorn, die machteloos toekijkt hoe zijn boom wordt omgehakt voor een paleis van de Hoge Keizer.

Voor mij stond een geweldig mooi Shoji scherm. Het was versierd met een tijger, die voor een rijzende zon brult, de tekens van de Keizer en van zijn clan, de Yoake. Het was wonderschoon geschilderd met een waar vakmanschap van de beste kunstenaars die er te vinden zijn. De lijnen waren vloeiend gemaakt, en er was geen enkele onvolmaaktheid te vinden. De tijger leek sereen en straalde zelfvertrouwen uit, een beeld van de Hoge Keizer dat mooier is dan dat het eigenlijk is. In realiteit is de keizer helemaal niet sereen, hij is constant boos en draagt genoeg wrok bij zich voor vijf mensenlevens.

Het scherm schoof open en de belichaming van de tijger op het scherm schreed binnen, of tenminste zijn zoon. Hij leek precies op zijn vader: Donkere ogen, met gitzwart haar dat tot zijn schouders naar beneden viel. Uit zijn ogen sprak een berekening van iedereen in de kamer, hij herkende meteen de gevaarlijkste in de kamer, en hij wist dat hij het zelf was.

“De tijd voor verlossing is gekomen,” sprak hij tot ons, met een wijds gebaar, “De tijd van de Hoge Keizer is over, het is tijd voor zijn dood.” Hij liet ons een bord met Sashimi, een delicatesse van vis, zien. Het was de giftige Fugu-Kimo. Het leek zo onschuldig van een afstand, en het zag er heerlijk uit. Als ik niet had geweten dat het giftig was, had ik een klein hapje genomen, om te ‘proeven’.

Hij begon het plan nog voor de laatste keer te herhalen voor iedereen, zodat het duidelijk was. Ik zou op de wacht staan, twee van ons zouden zijn persoonlijke wachten uitschakelen, en de begiftigde, die was geboren met krachten, zou de persoonlijke magiër van de keizer uitschakelen. Terwijl ik luisterde naar het plan gleden alle twijfels van me af, het leek allemaal zo simpel.

We stonden op en liepen de kamer uit, op weg naar de persoonlijke kamers van de Hoge Keizer. Zijn zoon zou het gerecht als persoonlijke gift van de kok presenteren, en wij zouden buiten stilletjes onze gang gaan. Het zou vlekkeloos verlopen. Dachten we.

Toen we daar aankwamen, bleken er meer wachters te staan dan verwacht, er stonden er vier in plaats van de normale twee. Ik was gedwongen te helpen met het uitschakelen van de wachters. De mannen met wie ik had gewacht wierpen een werpster met een dodelijke hoeveelheid gif erop tegen de wachters aan. De wachters stierven onmiddellijk nadat ze geraakt waren in hun nek door de scherpe metalen punten van de ster, en alle laatste stribbelingen werden gesmoord door het gif in hun aderen. Ik gooide zelf ook een werpster, maar ik miste mijn doelwit, en de ster boorde zich in de houten pilaar naast de wachter waar ik op had gericht. Terwijl de twee lijken met een doffe plof de grond raakten, keek de man in wapenrusting geschrokken op. Hij leek te gaan willen schreeuwen, maar voordat er een woord uit zijn keel kon ontsnappen, werd die doorboord met een werpster. De vierde ging jammer genoeg niet zo makkelijk neer. Hij had een extra bescherming op zijn helm, die zijn nek bedekte. We moesten richten op zijn ogen, en gelukkig hoefde ik niet te gooien. De samenzweerder naast me raakte met bovenmenselijke precisie precies de neusbrug van de wachter, maar dit schakelde hem niet uit. “INDRINGERS!” schreeuwde hij op volle borst voordat we hem konden uitschakelen.

Mooi was dat. Het eerste gedeelte van het plan was al mislukt. Ik begon in paniek te raken, mijn twijfels waren toch terecht geweest. Maar toen kreeg ik een idee: we zouden de plek van de bewakers innemen en het geschreeuw als vals alarm afschrijven. We ontdeden ze vlug van hun wapenrusting en deden het haastig aan, terwijl we de lijken wegsleepten naar een veilige plek. Het borstkuras was alleen te groot voor mij en ik verdronk haast in de helm van de wachter. We moesten het er maar mee doen. We gingen naast de Shoji schermen staan, die de toegang tot de kwartieren van de Keizer vormden.

Daar stonden we dan, twee serieus uitziende wachten, en eentje die eruitzag alsof hij te vroeg uit de buik van zijn moeder was gekropen. We wachtten af.

Ik hoorde vaag een gesprek in de kamer achter mijn rug, de stem van Prins Oda was onverstaanbaar, een vaag gemurmel op de achtergrond, gedempt door het rijstpapier. De lage stem van Keizer Jimmu was duidelijk hoorbaar door het rijstpapier, omdat hij zijn stem verhief. “Een lage poging op mijn leven, mijn zoon,” hoorde ik, “Ik had beter van je verwacht.” Dit kon maar één ding betekenen; hij had het complot doorgehad, altijd een stap voor op ons. “Je komt hier niet mee weg, mijn zoon,” zei hij. “WACHTERS,” hoorde ik momenten later door het paleis heen schallen.

Dit kwam ons toch wel goed uit. We liepen met z’n drieën naar binnen, met onze handen op onze wapens, klaar om ze te trekken. Niet om de keizer te beschermen, maar om hem te vermoorden. “Sla deze man in de boeien,” beval hij ons, en hij wees naar de prins, die verbaasd naar ons zat te staren. Hij moest met moeite een grinnik binnenhouden toen hij zag hoe ik erbij liep.

De kamer zag er perfect uit. De vloer was schoon en het enige meubel wat te zien was, was een lage eettafel waar het giftige eten op stond, onaangeraakt. Achter in de kamer hingen de ceremoniële wapens van de Hoge Keizer: een overdadig versierde Katana, en ook een simpele dolk. Verder was er ook op deze muren een schildering van de tijger voor de rijzende zon te vinden. De afbeelding was overal door het keizerlijke paleis verspreid.

We trokken onze wapens. Ik droeg de lange speer van de wacht die ik had overmeesterd, die ook veel te lang was voor mij, en ik liet hem bijna vallen. De andere twee droegen beiden een Katana, en zij wisten wel hoe ze ermee moesten omgaan. We, of beter gezegd, zij liepen recht op de Keizer af. Ik bleef achter in de kamer staan, onhandig met mijn speer worstelend. De keizer sprong naar achter, en trok in een soepele draaibeweging de Katana die aan de muur hing. Hij nam een verdedigende houding aan, en wachtte af. De mannen naderden voorzichtig, hun spieren strakgespannen om te reageren op wat dan ook. Ondertussen had Prins Oda ook zijn wapen getrokken. Anders dan anderen gebruikte hij een Naginata, een gevaarlijk wapen met een groot bereik. Het was een gebogen lemmet dat werd vastgehouden met een meter lange stok. Hij hield zich afzijdig van het gevecht een keek geamuseerd toe. “Zie deze twee maar te verslaan ouwe,” zei hij met een grijns op zijn gezicht.

De keizer stond er ontspannen bij, terwijl de twee mannen voor hem steeds erger begonnen te trillen. De keizer viel aan. Een snelle slag recht naar de borst van de man die links stond. De klap werd afgeweerd, maar hij viel meteen opnieuw aan. De andere man viel nu ook aan, en de Keizer moest tegelijkertijd aanvallen en verdedigen. Hij blokkeerde meesterlijk alle aanvallen die op hem werden gelanceerd, en zijn lemmet ging fluitend door de lucht, altijd precies op tijd om de aanval tegen te houden. Hij kon alleen niet op tegen de pure overmacht van de twee krachtpatsers, en hij werd langzaam achteruit gedrongen, stapje voor stapje, naar de oude houder van zijn zwaard achter op de muur. De Keizer viel weer uit, en wist een van de mannen te verrassen en verwondde zijn zwaardarm. Hij kon nu niet meer met kracht zijn aanvallen lanceren, en dit gaf de keizer een klein voordeel, maar hij was nog steeds sterk in het nadeel. Hij werd weer langzaam achteruit gedwongen door de aanvallen van beide mannen die hij het hoofd moest bieden. Hij kreeg geen kans meer om een uitval te doen, en snel stond hij bijna met zijn rug tegen de muur.

Hij liet zijn zwaard zakken en deed een buiging vanuit zijn middel, diep genoeg om het hoogste respect te geven. Dit verwarde de twee mannen zo erg dat zij voor een klein moment hun aanval kort stilzetten, en ze waren niet meer op hun hoede. Dit was een grove fout. De Keizer griste de dolk van de muur achter hem en doorboorde de nek van de eerste man die hij had aangevallen. Hij richtte zich op de tweede man, toen zijn zoon zich in het gevecht mengde. Deze lafaard stak hem van een meter afstand in zijn rug.

De Hoge Keizer viel neer op zijn knieën, en draaide zich langzaam om naar zijn zoon. “Laat je niet verteren door je eigen haat mijn zoon,” zei hij kreunend. “Maak niet dezelfde fout,” stootte hij moeizaam uit. Hij zuchtte en het licht uit zijn ogen verdween. Zijn zoon stak nog een keer om er zeker van te zijn dat hij dood was.

De spanning verdween langzaam uit de kamer en we slaakten een collectieve zucht, het was eindelijk over. We wilden net het lijk van de keizer opruimen, toen er een klein contingent bewakers binnenstormde. “Is alles oké, mijn heer?” vroeg de voorste. Ze hadden nog niet de uitdijende cirkel van bloed gezien, waar het lijk van de Hoge Keizer middenin lag.

“MOORDENAARS!” schreeuwde de prins uit het niets, en hij viel wild de overgebleven man aan, en doorboorde hem op zijn lemmet. Ik schrok en deinsde achteruit tegen de muur aan. Wat was hier aan de hand?  Het geluid van een tiental zwaarden dat uit haar schede werd getrokken was op de achtergrond te horen.

“Mijn Heer?” vroeg dezelfde man die eerder ook had gesproken, “Wat is er aan de hand?”

“ZE HEBBEN MIJN VADER VERMOORD!” brieste de prins, “SLUIT ZE OP!” beval hij luid aan de soldaten.

Ik werd ruw vastgegrepen en weggevoerd. Ik stribbelde nog tegen, maar de wachters waren te sterk voor me, en ik had geen enkele voet om op te staan. Het was het woord van de prins tegen dat van mij. Ik was kansloos. Ik werd ruw in een ondergrondse stenen kelder gegooid, en het hek van bamboe sloot met een doffe bons achter me.

Loading


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *