[red.:] Op 17 augustus 2025 overleed de Britse acteur Terence Stamp. In de sixties was Stamp een iconische figuur, daarna raakte hij in de vergetelheid. Gawie Keysers in memoriam verscheen eerder in De Groene Amsterdammer.

De huishoudster ziet hoe sigarettenas op zijn bovenbeen valt, daar waar de beige polyesterbroek strakgespannen is doordat hij met zijn benen wijd op de tuinstoel zit. Ze rent naar hem toe. Veegt de as eraf. En haast zich geschrokken naar binnen. Dan lacht hij met zijn mond licht open, de onmogelijk blauwe ogen zacht, verleidelijk, spottend zelfs, de blik alwetend.
Hier is een man die begeerd wil worden, die weet dat een toeschouwer, in dit geval de huishoudster, zichzelf niet kan helpen. Om dat lichaam te kunnen aanraken! De scène, uit Teorema (1968) van Pier Paolo Pasolini, toont Terence Stamp als een en al seks. Het complete plaatje – die ogen, dat lange, lenige lichaam – maakt hem tot een erotisch schouwspel, bij Pasolini maar ook in elke andere film uit zijn lange carrière, van zijn debuut in Billy Budd (1962), naar Herman Melville’s novelle, de John Fowles-verfilming The Collector (1965) en Ken Loach’ magistrale, sociaal-realistische drama Poor Cow (1967) tot Superman II (1980), Steven Soderberghs gangsterfilm The Limey (1997) en de Philip K. Dick-film The Adjustment Bureau (2011) waarin Stamp schittert als afgezant van God.
Stamps verschijning op het scherm heeft weinig te maken met psychologie of ‘motivatie’, temeer straalt de acteur via zijn fysiek iets mythisch uit, wat precies de reden is voor zijn impact als Generaal Zod, de vicieuze rebellenleider die na zijn verbanning van Supermans planeet Krypton de Man van Staal op aarde bevecht. Wanneer Zod oog in oog staat met agenten in een politieauto spreekt Stamp niet in zijn eigen Cockney-accent, zoals in veel van zijn films, maar in The Queen’s English: ‘I like the globe that flashes red. But not this irritating sun. Make way.’ Deze bedrieglijke beschaafdheid is Stamp ten voeten uit: onder de kalme oppervlakte kolkt een vulkaan van gevaarlijke goddelijkheid.
Hij was de beautiful boy van het Londense Soho van de jaren zestig, waar hij een flat deelde met zijn grote vriend, de hippe filmster Michael Caine. Met hem ging Stamp volledig op in de hedonistische tijdgeest die zorgde voor een creatieve explosie op allerlei culturele gebieden. Een paar jaar na Stamps doorbraak als Billy Budd kreeg hij de hoofdrol in de Thomas Hardy-verfilming Far from the Madding Crowd tegenover Julie Christie, met wie hij een korte, stormachtige relatie had. Voordat die onvermijdelijk op de klippen liep belichaamden zij de swinging sixties. Ze werden vereeuwigd in de hit Waterloo Sunset van The Kinks: ‘Millions of people/ Swarming like flies ’round/ Waterloo underground/ But Terry and Julie/ Cross over the river/ Where they feel safe and sound.’
De relatie was na korte tijd over, maar Stamp was snel met nóg een beeldschone vrouw: supermodel Jean Shrimpton. In een foto uit die tijd zijn ze samen in close-up, zij met grote ogen en volle lippen die haar gelaat een symmetrie geven, hij met dikke wenkbrauwen boven de mysterieuze ogen die zijn schermpersona bepaalden.
Stamp en vrouwen. Graag vertelde hij hoe hij in Rome, ‘gewoon op straat’, sixties-icoon Sylvana Mangano tegen het lijf liep. Zijn was iets ouder dan hij – ‘ik was verliefd op haar toen ik jonger was’ – maar er was een klik, en Mangano droeg hem voor voor de hoofdrol in een film waar ze mee bezig was. De regisseur vertelde hem dat het verhaal over een vreemdeling gaat die arriveert, met iedereen seks heeft en weer vertrekt. Stamp: ‘Mij op het lijf geschreven!’
Het werd zijn beroemdste film. Pasolini plaatst de bohemien tegenover het gezin uit de bourgeoisie: de zakenman, vader, die misschien onderdrukte homoseksuele gevoelens heeft, de moeder, seksueel gefrustreerd, de zoon, onzeker, de dochter, timide, en de huishoudster, diepgelovig. Een voor een gaat Stamp, vreemdeling, met hen naar bed waarna ze eerst bevrijding uit de ketens van hun bestaan ervaren en vervolgens in een diepe depressie belanden wanneer de vreemdeling met de noorderzon vertrekt.
Zijn invloed is nog het meest verregaand in het geval van de huishoudster, Emilia. Als de vreemdeling weg is, keert zij terug naar de boerderij waar ze opgroeide. Daar gebeurt iets merkwaardigs: nadat ze enkele dagen niets deed behalve op een bankje naast een schuur zitten, zweeft ze de lucht in waar ze blijft hangen tot de stomme verbazing van toekijkende bewoners.
Het is Stamps haast astrale, filmische verschijning die vormgeeft aan Pasolini’s grondidee: de bovennatuurlijk mooie man opent (ons) de ogen voor wat er allemaal wel niet mogelijk is in het kille, kapitalistische alledaagse.
Zo snel als Stamps ster rees, zo abrupt raakte hij werkloos. ‘Het is een mysterie; ik was in mijn bloeiperiode’, vertelde hij. ‘Toen de sixties tot een einde kwamen, was ook ik “voorbij”. Mijn agent zei, ze zoeken een jonge Terence Stamp. Maar ik wás jong – ik was dertig!’
Platzak ging hij naar India. Toen belde Hollywood. Of hij Generaal Zod wilde spelen. Zo begon Stamps tweede gouden periode. Eind jaren negentig was hij een Cockney-gangster die in Soderberghs The Limey naar Los Angeles reist om de moordenaar van zijn dochter te vinden. Het verleden staat centraal, van zijn personage maar vooral van Stamp zelf. Soderbergh verwerkt beelden van een jonge Stamp, uit Poor Cow, in zijn film. Onvergetelijk is de scène waarin hij, een zachtaardige gangster die houdt van lezen, in een aftands appartement voor zijn liefje een nummer van Donovan zingt, zichzelf op gitaar begeleidend: ‘Freedom is a word I rarely use/ Without thinking… / Of the time, of the time/ When I’ve been loved.’
![]()